Samenleving en duurzame mobiliteit (deel 1)

Deel-1 van de bevindingen en conclusies van achtergrondstudie door Snellen, D. et al. (mei 2014)

samenleving en duurzame mobiliteitEen belangrijke vraag van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is: ‘Hoe kan de overheid sturen als het initiatieven in de energieke samenleving wil losmaken en benutten op het terrein van de duurzame mobiliteit`.

Om de discussie over deze vraag te voeden heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) notities opgesteld over het vraagstuk duurzame mobiliteit en energieke samenleving.

Deze notities zijn als input gegeven aan twee werkateliers, waarin diverse deelnemers afkomstig uit beleid, wetenschap en vooral ook samenleving (ondernemers, brancheorganisaties, s) met elkaar in discussie gingen. Op basis hiervan werden de volgende bevindingen en conclusies aangereikt.

Verduurzaming van mobiliteit gaat niet vanzelf

De Nederlandse overheid heeft de ambitie het mobiliteitssysteem te verduurzamen, zodanig dat economische welvaart samengaat met een goed leefklimaat. Dit kan de overheid niet alleen en dit hoeft de overheid ook niet alleen te doen. In de samenleving (burgers en bedrijven) zijn energie en initiatieven te vinden om hier vorm aan te geven. maar wel noodzakelijk wanneer de overheid haar ambities op dit terrein wil waarmaken.

Dat vergt dus inspanningen van de overheid om initiatieven en innovaties te prikkelen, te faciliteren, te benutten en vooral niet tegen te werken. Een overheid die samen met bedrijven en burgers wil werken aan duurzamere mobiliteit moet twee dingen helder voor ogen hebben:

  • Enerzijds is het belangrijk dat de overheid weet wat de concrete doelen zijn die nagestreefd worden.
  • Anderzijds is het nodig om te weten hoe de verschillende actoren in het veld zich tot die ambities verhouden: wat drijft burgers en bedrijven en wat bepaalt hun keuzes? maar ook in hoeverre zit er spanning tussen de overheidsambities en de tendensen in de samenleving en waar liggen deze juist in elkaars verlengde en kan energie in de samenleving (direct) benut worden?

Energie in de samenleving losmaken en innovatieve oplossingen stimuleren zijn gebaat bij het plaatsen van een stip aan de horizon en vervolgens het zoveel mogelijk aan de samenleving over laten hoe die stip bereikt kan worden. Deze werkwijze betekent dat de overheid terughoudend zou moeten zijn met het vroegtijdig kiezen van een oplossingsrichting (en daarmee gelijktijdig andere oplossingsrichtingen benadelend) door bijvoorbeeld specifieke technologieën zoals elektrische auto’s (langdurig) te subsidiëren en andere alternatieve aandrijfmethoden niet.

De rol van de overheid in haar streven naar een duurzame(re) mobiliteit kan zeer verschillend zijn, omdat aangrijpingspunten en actoren verschillen. Maatregelen gericht op het creëren van een infrastructuur die stimulerend werkt voor duurzame vervoersalternatieven zijn anders van aard dan prikkels gericht op efficiencyverbetering van voertuigen of gedragsverandering van consumenten. Ook zijn er grote verschillen in de mate waarin nieuwe, duurzamere, mobiliteitsvarianten al dan niet tegen de stroom inroeien.

Zo is de fiets niet alleen duurzaam, maar – voor tal van verplaatsingen en voor een groot deel van de Nederlanders – ook een heel aantrekkelijke vervoerswijze vanwege zijn flexibiliteit en lage kosten. Het stimuleren of benutten van de energie in de samenleving in de richting van meer gebruik van de fiets vraagt een heel andere benadering en inspanning van de overheid dan het vergroten van het aandeel van bijvoorbeeld elektrische auto’s (wel duurzaam, maar minder aantrekkelijk voor veel mensen) of het ontmoedigen van conventionele auto’s (wel een aantrekkelijke vervoerswijze, maar niet duurzaam).

Met betrekking tot de elektrische auto is gebleken dat het versterken van de positie van deze vervoerswijze vooralsnog ingaat tegen de heersende voorkeuren in de samenleving en daarom vraagt om een actieve en stimulerende rol van de overheid, wanneer deze de ambitie heeft om de positie dergelijke duurzamere alternatieven voor de conventionele auto te versterken.

Daarbij moet de overheid erop letten consistent te zijn, dat wil zeggen dat het ingezette (bijvoorbeeld fiscale) stimuleringsbeleid langdurig vol te houden zou moeten zijn: de overheid als betrouwbare partij. De overheid zal in dat geval dus rekening moeten houden met eventuele (hoge) kosten van jarenlange voortzetting van het in gang gezette stimulerende beleid.

horizonEen stip aan de horizon is een noodzakelijke voorwaarde voor het succesvol stimuleren en benutten van energie in de samenleving

Een heldere stellingname van de overheid is een absolute voorwaarde om de ambities – de energie in de samenleving te benutten richting een duurzamer mobiliteitssysteem – te behalen. Het moet glashelder zijn wat de overheid nastreeft en waar ze langdurig de schouders onder wil zetten: de stip aan de horizon. Zo’n stellingname wint aan geloofwaardigheid wanneer het eigen gedrag hiermee in overeenstemming is: congruentie in woord en daad. ‘Launching customership’ is daar een voorbeeld van: bestuurders en ambtenaren fietsen en bij grotere afstanden nemen ze de trein of rijden ze in een CO2-neutrale auto.

Met betrekking tot locatiekeuze voor overheidsdiensten geeft de overheid nu al vaak het goede voorbeeld door te kiezen voor centrale locaties met een goede openbaarvervoerbereikbaarheid. Hiermee draagt de overheid uit haar eigen ambities serieus te nemen. Een heldere stellingname vergt ook consistentie in de boodschap en integraliteit in beleid. Grote kantoor- of bedrijfslocaties ontwikkelen op autolocaties die nauwelijks per ov of fiets te bereiken zijn en tegelijkertijd het autogebruik beprijzen, ervaren burgers – begrijpelijkerwijs – als inconsistent.

Verschillende doelstellingen kunnen elkaar ook versterken. Gezond mobiliteitsgedrag met een grote rol voor de fiets helpt immers ook om doelen rondom gezonde leefstijlen te behalen. Ten slotte vindt de stellingname steun in een congruente framing van vraagstukken. Als bijvoorbeeld het doel van beleid is om openbaar vervoer een aantrekkelijkere optie te maken door de aansluiting van fiets op trein te verbeteren, dan heeft het de voorkeur om overvolle fietsenrekken bij het station niet te beschrijven in termen van hinder en overlast, maar als een uitdaging die opgepakt wordt.

Klik hier voor het lezen van Deel-2

Bron:
Achtergrondstudie door Snellen, D. et al. (mei 2014),
Verkenning van opgaven en aangrijpingspunten voor beleid.
Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)

>> duurzaam nieuws <<

Deel dit met uw netwerk:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Pin on PinterestEmail this to someone