Psychoanalyse en Klimaatprobleem

psychoanalyse en klimaatprobleemZoals iedereen inmiddels weet is klimaatverandering een ‘wicked problem’. Het gaat om de lange termijn, er is het vraagstuk van de landen die de grootste problemen hebben veroorzaakt en nu andere landen erop wijzen dat ze moeten stoppen met CO2-uitstoot, er is het probleem van de free riders .

Uiteindelijk komt het erop neer dat het probleem van de klimaatverandering moet gaan leven in de hoofden van mensen en dat zij vervolgens van hun politieke leiders eisen dat er actie wordt ondernomen om de leefomgeving van ons allemaal veilig te stellen. Dat er een bereidheid ontstaat om daar ook opofferingen voor te doen.

Waarom is dat nog onvoldoende het geval? We lezen een naar bericht over het klimaat, sidderen even bij het rampzalige toekomstbeeld dat wordt geschetst en gaan daarna weer over tot de orde van de dag. Hoe kan dat toch?

psychoanalyse en klimaatprobleemDit was dé grote vraag die Renee Lertzman, consultant op het grensgebied van psychologie en milieu, zich al stelde toen ze in de jaren tachtig in de collegebanken zat. In haar boek Environmental Melancholia (2015) legt ze uit welke rol psychoanalytische inzichten volgens haar zouden kunnen spelen in het effectiever tegemoet treden van de klimaatcrisis. ‘De zeer precieze studie van het omgaan met pijnlijke en kwellende ervaringen kan helpen, maar ook van de omstandigheden die creativiteit en herstel mogelijk maken. Het begrip van menselijk gedrag op het diepste niveau, inclusief onbewuste processen, zoals ontkenning, projectie, afsplitsen, afstand nemen van verantwoordelijkheden en apathie.’ Al die inzichten kunnen een bijdrage leveren, aldus Lertzman.

Ze denkt dat een vorm van milieumelancholie – een aanhoudende vorm van rouw – aan de basis staat van een groot deel van ons gebrek aan reactie op de ecologische verwoesting. ‘Als we angst van mensen begrijpen, dan kunnen we ook begrijpen waarom mensen vaak vermijden wat het meeste pijn doet, zelfs als het uiteindelijk tegen ze werkt.’ De betrokkenheid van mensen ziet er misschien wel heel anders uit dan veel milieuactivisten zich voorstellen. Minder als ‘selling and telling’, meer als een ‘collaboratief proces’, een gesprek zonder directe veroordeling of toekenning van schuld. Een gesprek waarin wordt erkend dat belangen naast elkaar liggen en strijdig met elkaar kunnen zijn. Dat ambivalentie kan bestaan. Want inderdaad: ik geef om de natuur maar ik geef ook om mijn vliegvakantie. Het heeft geen zin om te doen alsof die spanning er niet zou zijn.

Lertzman wijst erop dat gebleken is dat een beroep op angst en doemscenario’s contraproductief werkt. Mensen wenden zich dan juist af van het onderwerp. Bovendien wordt een beroep gedaan op mensen als rationele wezens, maar inmiddels is gebleken dat ontkenning van het probleem niet wordt weggenomen door nóg meer informatie. Integendeel.

De grootste hulpbron kunnen we volgens Lertzman vinden in de menselijke behoefte om invloed uit te oefenen. De apathie van veel mensen, ook wel de ‘perception-action gap’ of ‘disconnect’ genoemd, moet op een andere manier worden benaderd en onderzocht. Voor haar onderzoek nam ze bijvoorbeeld uitgebreide interviews af met de bevolking van Green Bay, Wisconsin, en kwam erachter dat mensen die officieel als ‘inactief ’ zouden worden omschreven wel degelijk betrokkenheid voelen. Op het moment dat deze mensen het gevoel krijgen dat ze zelf iets kunnen doen wat verschil maakt, willen ze juist heel graag verandering bewerkstelligen. Apathie moet eerder gezien worden als een defensief coping-mechanisme dan als daadwerkelijke inactiviteit. Onder die apathie kunnen we gevoelens vinden van verlies, pijn en angst. En over die gevoelens moeten we met elkaar praten.

Lertzman deed in het Verenigd Koninkrijk haar PhD in psychosociale studies, een vakgebied dat kijkt naar de interactie tussen het individu en de maatschappij. Ze was medeoprichter van de Climate Psychology Alliance en ontmoette Rosemary Randall, een Britse psychologe die discussiegroepen oprichtte, de zogenaamde Carbon Conversations. Moeten we allemaal in klimaattherapie? Dat hoeft niet volgens Lertzman, maar ze wijst er wel op dat we elkaar nodig hebben om betekenis te geven aan wat er om ons heen gebeurt. Het therapeutisch gesprek helpt om bepaalde onbewuste gevoelens helder voor ogen te krijgen. Om compassie te tonen voor elkaar zonder de ander te veroordelen.

Ook George Marshall, oprichter van het Climate Outreach Information Network, blogger bij The Guardian en auteur van het boek Don’t Even Think about It: Why Our Brains Are Wired to Ignore Climate Change (2014), denkt dat het tijd wordt dat de geesteswetenschappen zich meer met het klimaatprobleem bezig gaan houden. In deze disciplines kunnen we verklaringen vinden (en wellicht dus ook oplossingen) voor het gebrek aan actie. Zo leert Marshall van de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman dat het klimaatprobleem verschillende vormen van bias van mensen tegelijk aanjaagt. Klimaatverandering bevat geen enkel duidelijk, direct signaal van een dreiging die ons tot actie zou moeten aanzetten. Het speelt in de toekomst, het brengt bepaalde kosten met zich mee en er zijn allerlei onzekerheden aan verbonden. Ons primitieve instinct is ‘daar vinden we later wel iets op’. Terwijl de dreiging er natuurlijk wel degelijk is. Zo hield het Future of Humanity Institute een enquête onder academische experts over het risico dat de mensheid voor het einde van deze eeuw is uitgestorven. Het risicopercentage kwam uit op negentien.

Marshall trekt een directe lijn van onze algemene doodsangst naar klimaatverandering. Hij verwijst naar antropoloog Ernest Becker die meende dat de angst om te sterven aan de basis ligt van al het menselijk geloof. Het ontkennen van de dood is een ‘vitale leugen’ die ons aanspoort om in onze cultuur en in gemeenschappen te investeren om een gevoel van permanentie te krijgen na onze eigen dood. Deze theorie, de terror management theorie , wordt ondersteund door allerlei experimenten.

Volgens Janis Dickinson, neurowetenschapper aan Cornell University, kan klimaatverandering eveneens onder deze theorie worden geschaard. ‘Veel van de standaardreacties, zoals extreme rationalisatie, ontkenning, of het plaatsen van de problemen ver in de toekomst, zijn allemaal consistent met de manier waarop we omgaan met onze eigen doodsangst. We kunnen het idee van de dood van onze kinderen niet aan, maar we accepteren wel dat ze doodgaan nadat we zelf dood zijn gegaan. Op dezelfde manier vermijden we de angst voor klimaatverandering en ons eigen uitsterven door het in een toekomst te plaatsen ver na onze dood.’

Tegelijkertijd blijven dat onbestemde angstgevoel, die zogenaamde ‘pre-traumatische stress’ over de toekomst van onszelf en onze kinderen, en dat gevoel van machteloosheid over de gebrekkige politieke acties van onze leiders bestaan. Het wordt tijd voor een andere koers. Tijd dat wij, die grote ‘apathische’ middengroep, met elkaar in gesprek gaan. Alleen via dat gesprek kunnen we ontsnappen aan cynisme en moedeloosheid. Zo kunnen we elkaar inspireren zonder te veroordelen. Dus tijd voor een goed gesprek over de vraag: hoe voel jij je over het klimaat?

Bron: De Groene Amsterdammer (gedeeltelijke tekst)

Psychoanalyse en Klimaatprobleem

>> duurzaam nieuws <<

Deel dit met uw netwerk:Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+Pin on PinterestEmail this to someone